De Danseres

Editorial Note
May 6, 2019
A Bowl of Spaghetti
May 6, 2019

De Danseres

I am a dancer, which is one of the reasons I chose the short story ‘Tancerka’ of Olga Tokarczuk. It is a bit of a sad story, about life, unfulfilled dreams, broken relationships, both romantic and in a family. But it also tells you to do what you love and be yourself. To connect through art.

Olga Tokarczuk is one of the best writers in Poland at the moment, and a lot of her books have been translated to other languages. However, I noticed her short stories are not as popular as her novels. Moreover, she is the advocate of the International Short Story Festival that takes place in Wroclaw, Poland.  She is also a controversial writer in Poland. She covers topics that are not main stream and even a bit rebellious, like ecology, animal welfare and hunting. Her literature kick starts public debate. And she is very talented; she won several prizes both in Poland and abroad.

The nice thing about the Polish language is that every word can have a different meaning, depending on the context it is used in. You can create complete new meanings by using common words differently. Compared to English it is much simpler. In Polish you can do whatever you like, which also means that everyone can have their own version of Polish.

 Natalia Stebelska

Bachelor student Literature and Society, Vrije Universiteit


De Danseres (2001)

Ze schijnen de hele bouwval bij toeval te hebben betrokken. Ze waren zogezegd op doorreis en hadden te weinig benzine en omdat het al avond was, hadden ze in dit dorp met de vreemde, onbehaaglijke naam Hoest de nacht doorgebracht. Ooit was hier een klein kuuroord met een watervang, een park met een fontein en twee pensions. Eén was er al niet meer; alleen dat andere stond er nog, dat zij voor een habbekrats van de gemeente hadden kunnen huren, met de belofte er een theater van te maken. Het Danstheater in Hoest.

Zij vond het wel wat hebben, dat de bouwval een podium had.

Het was geen groot huis, geheel van hout en rode baksteen: vakwerkbouw. Op de begane grond waren ooit de receptie, de keuken en een kleine eetzaal in een veranda. Aan de noordkant bevond zich, zoals in elk zichzelf respecterend dorpshotel, een danszaal. De wanden waren er tot halverwege voorzien van lambrisering die inmiddels behoorlijk geschonden was en waarvan de vermolmde planken los waren komen te zitten. En het podium was ook van hout, het was geen groot podium, maar het was wel een podium. Je kon het aan weerszijden van een coulissen nabootsende ruimte betreden.

Op de eerste verdieping bevonden zich enkele kamers en twee badkamers. Dat was alles.

Zij was slank, en zelfs meer dan slank: ze was zo mager als een lat en leek wel uitgedroogd. Alles aan haar was verticaal, rankte omhoog: een langwerpig gezicht, lange neus, lange grijze haren die ze los droeg, wat van haar een beetje een heks maakte. Vrouwen op haar leeftijd dragen hun haren in fatsoenlijke lokken of bescheiden knotjes. Ze had slanke handen met lange vingers en ranke benen, altijd gehuld in een broek, en als je haar van achteren zag zou je kunnen zeggen dat het een jong meisje was, maar haar gezicht verried de symptomen van haar leeftijd: een netje rimpels hield de gelaatstrekken op hun plaats, anders waren ze vast weggevloeid, weggevaagd. Ze moet ooit een mooie vrouw zijn geweest.

Haar echtgenoot, partner of wie hij ook was, want een tijdje daarna, na drie maanden aan dat theater te hebben gewerkt was hij verdwenen, was zichtbaar jonger dan zij of misschien zag hij er alleen maar zo goed uit. Misschien verfde hij zijn snor en misleidden zijn rode of lazuren overhemden waarmee hij zich fel onderscheidde van het roodbruine en matte groen van de omgeving. Hij zei “Hou je bek, lieveling” tegen haar, als zij last had van haar aanvallen van slecht humeur en ongegronde woede. Wrok tegen de hele wereld. Of als ze ’s nachts kreunde van de pijn aan haar wervelkolom, waar al niet veel meer aan te doen was. Dan draaide hij zich op zijn andere zij en zei tegen het duister: “Hou je bek, lieveling.”

Niemand weet wat de omstandigheden waren waaronder hij bij haar weg was gegaan; misschien hadden ze ruzie gekregen, deze keer serieus en voorgoed. Misschien had hij ook wel genoeg van deze bouwval, die al duidelijk scheef stond en waarvan het dak lekte en de ramen op de veranda waren ingegooid. In elk geval was hij met de noorderzon vertrokken.

Zij gedroeg zich alsof het haar niet uitmaakte. Soms vroeg ze alleen een boer uit het dorp, de enige die een auto had, of hij iets voor haar uit de stad mee wilde brengen of op de post wilde doen of de rekeningen voor de elektriciteit wilde betalen. Ook ontving zij regelmatig geld: ouderdomspensioen of een uitkering. Soms ging ze zelf naar het stadje en dan kocht ze bij de apotheek crèmes, pillen en balsems. Allemaal van goede westerse firma’s.

Een droge huid is een heel vervelend iets. Je moet haar insmeren met vette crèmes, het beste nog met cacaoboter, van de muffe geur waarvan je later hoofdpijn krijgt. En je moet haar vochtig en vet houden, haar goed inwrijven. Het kwam wel voor dat de beste, duurste crèmes faalden en dat gewone olie wel hielp. Met zo’n huid was ze nu eenmaal geboren. En ze had een bepaalde tic: ze ging met haar vingertoppen over haar gezicht, over haar decolleté en dan over haar schouders. Haar droge huid leek te knisperen onder haar vingers. Zo gespannen was die. Als mensen als bossen tijdens de droogte in brand konden vliegen zou zij hebben gebrand als een fakkel. Haar huid was droog en heet, zelden had ze het koud. Ze liep ook op haar tenen, de reflex van een balletdanseres, hief haar armen hoog om lucht in haar longen op te nemen en langzaam, met de elegante tred van een danseres schreed ze voort, alsof ze danste.

Ze renoveerde de bouwval niet speciaal. Van tijd tot tijd huurde ze iemand uit het dorp in om schoon te maken, meestal een meisje dat een buitenechtelijk kind had en nergens anders werk had. Ze kreeg behoorlijk betaald en zorgde ervoor dat het altijd netjes was, hoewel er niet veel viel op te ruimen, want de eigenaresse bewoog zich als een geest, licht en stilletjes. Ze at niet veel, als ze al at, en maakte er geen bende van. Ze woonde in een van de kamers boven, in de andere kwam ze niet. Dus maakte ze alleen haar eigen bed op en deed van tijd tot tijd een kleine was. Ze kookte niet voor zichzelf, ze leefde van fruit, wortels, donker brood en muesli met melk. Voor de melk ging ze naar het dorp. Die dronk ze zo van de koe, tot afkeer van de boerin die de koe in haar aanwezigheid molk. Op deze leeftijd moet je op je botten letten. Osteoporose en dat soort gevaren. Een mens wordt broos als een verdroogde, van binnen lege stengel.

Ze veranderde niets in het huis. Achter de toonbank van de receptie hing nog altijd het bord met enkele sleutels, waaraan misvormde, langgerekte, geronde stukjes hout hingen met daarop geschreven nummers. In de herfst waaide de wind droge bladeren de oude eetzaal binnen. Kikkers kwamen naar binnen gesprongen. Daarom deed ze de deur naar de veranda op slot en ging er nooit meer naar binnen.

De meeste tijd bracht ze natuurlijk door in de zaal met het podium. Daar maakte ze schoon, hing prachtige papieren lampionnen aan het plafond, schilderde ze de muren blauw. De planken van het podium liet ze schuren en daarna controleerde ze de kracht ervan met haar hakken. Of ze voerde een stepdans uit: dan weerklonk door het hele gebouw een vrolijk ritme, geklepper. Pop, porok pok, pok porokpok pok. Uit de grammofoon kwam vaak symfonische muziek die het park en het dorp in stroomde als de geur van een exotisch parfum. ’s Avonds zat ze bij een tafeltje in haar slaapkamer en schreef ze brieven die allemaal begonnen met “Lieve Papa!” Nooit maakte ze er een af. Ze stopte ze in een oude leren koffer. Er zaten er al heel wat in, vermoedelijk duizenden; alle geschreven in dat kleine ronde handschrift van haar en allemaal zagen ze er eender uit: een niet helemaal volgeschreven velletje papier. Duizend aanzetten van één brief. In de opsluiting van de koffer vervaalde de paarse inkt.

Zo schreef ze: “Lieve Papa, moet u horen wat voor nieuws ik heb: ik heb een theater gekocht! Het is een mooi oud gebouw uit het begin van de eeuw met gastenkamers, een reusachtige glazen eetzaal en, het belangrijkste van allemaal, een podium. Kunt u zich dat voorstellen? Nu zal ik eindelijk voor mezelf kunnen beginnen en elke rol kunnen dansen die ik maar wil. Het is waar dat op mijn leeftijd de carrière van een danseres er al op zit, ik ben me daar absoluut van bewust, maar de ziel van de danseres is nog altijd jong! Ik heb ontzettend veel plannen. Van tijd tot tijd zal ik zelf nog wat dansen. Ik kan het maar niet verkroppen dat we ruzie hebben gekregen en ik denk, lieve Papa, dat we in het aanschijn van de ouderdom ons zouden moeten verzoenen. Het ergste van alles vind ik nog wel dat u mij nooit hebt zien dansen. Misschien waren het geen hoofdrollen en als gevolg van mijn wervelkolom ben ik geen prima ballerina geworden, maar ik was best wel bekend en ben met mijn balletgezelschap op vele podia toegejuicht. U had geen gelijk toen we elkaar voor het laatst zagen en u indertijd in uw woede tegen mij zei dat ik geen talent had. Dat was heel onrechtvaardig…”

Belandde in de koffer.

De eerste uitnodiging voor een optreden van haar kregen de bewoners van Hoest twee, drie maanden na haar intrek. Toen was die man nog met haar. Op zeegroene kartonnetjes stond met paarse inkt geschreven: ‘Optreden om 19:00 uur, fragmenten uit het ballet Het zwanenmeer van Piotr Tsjaikovski gedanst door prima ballerina…’ Haar man bezorgde ze persoonlijk aan huis en deed er een doosje met chocolaatjes in de vorm van een hart bij. Iedereen kwam, zelfs de vrouw met de baby. De zaal met het podium was onherkenbaar veranderd. Het toneel werd verlicht door twee reflectoren, een was bedekt met hemelsblauw vloeipapier en gaf een schijnsel af als van water, van mist, de andere wierp van boven licht en vormde een helder ovaal op het podium. De vloer was belegd met een blauwe glinsterende folie, terwijl kussentjes mos en stukjes gazon uit de tuin de oever van een meer voorstelden. De jonge vrouw met het kind kreunde van verrukking.

Toen iedereen op zijn stoel zat stroomde van achter het toneel prachtige milde muziek en even later kwam een slanke, langbenige gedaante in witte tules en glimmende satijnen spitzen op.

Ze danste onbevreesd, iedereen zat vanwege die onstuimigheid van haar sprongen, de bravoure van haar gebaren, de vaart van haar sprongen op het puntje van zijn stoel, alsof men bang was dat ze haar evenwicht zou verliezen en op de planken zou neerstorten. De tules vloeiden langs haar slanke dijen, steeds een oogwenk te laat, steeds een seconde na haar lichaam golfden ze in een witte lichtende wolk om haar heen. Haar benen in witte, strakke maillots leken geen gewone voeten te hebben, alsof ze een soort van wezen was dat niet voorbestemd was om normaal te lopen. Deze vreemde substituten van voeten, deze in glimmende spitzen gevangen stompjes streelden slechts de houten planken van de vloer, trippelden niet zoals een mens zou doen, het was alsof een kat over het toneel rende. Haar haar zat hoog opgestoken in een zilveren, met witte bloemetjes versierd knotje. Een zware make-up had haar gezicht onherkenbaar veranderd: het paste bij de tules en de muziek, maar als je naar alleen het gezicht keek wekte het de spookachtige indruk van een masker. Zo zag alles eruit.

Negen personen, waaronder haar man, applaudisseerden, en de danseres maakte een sierlijke buiging. Aan het einde kreeg iedereen sinaasappelsap, druiven en gebak. Tevreden ging men naar huis. Trouwens, wie kan dat met zekerheid zeggen?

“Lieve Papa, als u zich eens zou kunnen voorstellen wat hier vandaag heeft plaatsgevonden, dan zou u vast heel verbaasd staan. Voor de eerste keer sinds een tiental jaren heb ik voor publiek gedanst! Ik danste mijn glansnummer uit Het zwanenmeer. Zo jammer dat u nooit de gelegenheid hebt gehad mij daarin te zien dansen. Ik weet wat u van mijn dansen vindt. Maar is het wel rechtvaardig een slecht oordeel over mij te hebben zonder mij ooit te hebben gezien? Mijn droom is dat we elkaar nog eens mogen ontmoeten, dat u hiernaartoe komt, hoewel dat waarschijnlijk nooit zal gebeuren, het zou vast een te zware, te lange reis voor u zijn, maar toch verbeeld ik me graag een dergelijk tafereel: u in de zaal… Ik zou misschien iets speciaals hebben gedanst, ik weet alleen nog niet wat. Ik ben benieuwd hoe u zich zou voelen. Want het eerste wat u mij verweet toen ik nog kind was, was dat ik totaal geen muzikaal gehoor heb. Mijn pianolessen werkten op uw zenuwen. U noemde ze “getrommel”. U hebt de lerares weggestuurd, dus speelde ik op de vensterbank, op het tafelblad. En mijn danslessen maakte u belachelijk. Mama en ik hebben die voor u geheimgehouden. Mama zei dat ik naar bijles Frans ging en ik nam zelfs steeds een leerboek met me mee. U hebt er nooit iets van gemerkt! Vaak speelde door mijn hoofd dat u misschien niet van mij hield. Maar waarom niet? Omdat ik een meisje was? Kan dat een voldoende reden zijn? En is het mogelijk dat een vader niet van zijn eigen dochter houdt? Ik moet me hebben vergist; uw liefde was anders, u wilde voor mij het beste, dat ik geen moeilijk leven zou hebben, dat mijn leven vervuld zou zijn en misschien was u wel van mening dat geen enkele kunstenaar gelukkig kan zijn. Maar de mensen willen zo graag kunstenaar worden om geliefd te zijn. Het gaat nergens anders om. Om bepaalde redenen houdt men meer van zangers, danseressen en schrijvers dan van schoenmakers of boekbinders, wat voor goede mensen dat ook zouden zijn…”

Haar man, of wie dat dan ook was. Die laatste nacht, voor de dag waarop hij zou zeggen dat hij terug naar de stad zou gaan, had ze hem aan het andere uiteinde van het tweepersoonsbed aangetroffen. Ze had zich tegen zijn zachte, hete, fluweelachtige rug aangevlijd. Zijn als met een zachte pels met een vetlaag overtrokken huid was levend en voelde prettig aan. Ze verwarmde. Maar hij mopperde en draaide zich languit op zijn rug. Ze kon de slaap niet vatten, dus luisterde ze naar de nachtelijke concerten van de houtwormen, de muizen, de motten die tegen het glas aan botsten. Ze hoorde buiten voetstapjes, de verre schreeuw van een uil. Ze kon niet in slaap komen als gevolg van koude voeten en de pijn aan haar wervelkolom. De matras was te zacht en haar magere, uitgedroogde lichaam zakte er als een houtblok in weg. Haar wervelkolom zond ritmische waarschuwingstekens uit. De volgende ochtend zag ze dat hij helemaal aan de rand van het bed sliep en zij vlak naast hem. ’s Nachts moest dezelfde tocht plaatsvinden als die overdag plaatsgreep: hij verwijderde zich van haar en zij ging steeds achter hem aan. Uiteindelijk was hij vertrokken.

“Lieve Papa,” schreef ze die dag, “ik moet u zeggen dat die woorden van u heel hard bij mij zijn aangekomen en dat ze tot op de dag van vandaag in mijn oren klinken. Vaders houden nochtans van hun kinderen, het is ook niet meer dan natuurlijk, daarom weet ik dat u mij niet hebt willen kwetsen en hoogstens hebt willen waarschuwen voor de lasten van het leven van een kunstenaar. Tot op zekere hoogte geef ik u gelijk, want als ik vandaag nog had mogen kiezen, weet ik niet wat ik zou hebben gedaan. Ik weet het niet.”

Daarna kwam de winter, maar die was merkwaardig mild. Elektrische kachels waren voldoende om de slaapkamers en de keukens te verwarmen. Tijdens de repetities schakelde ze in de zaal met het podium twee kleine ventilatorkachels aan en na tien minuten was het warm. Ze oefende. Natuurlijk had ze zelf ook wel in de gaten dat de muziek haar voor was, dat ze haar onstuimigheid moest indammen, haar opsprong afvlakken, haar plié markeren.

Als je de zestig bent gepasseerd kun je moeilijk je oude snelheid, je vroegere lichtheid verwachten, hoewel ze immers niet meer woog dan daarvoor.

“Beste Papa, ik zou u een verjaardagscadeau willen geven, maar ik weet echt niet welk. Het is best vreemd dat wij alle twee al niet meer zo jong zijn, gelijkelijk vorderen wij in de tijd. Je zou kunnen zeggen dat we arm in arm lopen. Samen. U moet nu zo’n negentig jaar zijn en ik ben over een maand vierenzestig. Ik heb altijd onthouden dat wij zesentwintig jaar verschillen en ik zou me even goed willen voelen zoals ik hoop dat u zich voelt. We hebben elkaar al zo lang niet gezien. Het is bijna vijfendertig jaar geleden…”

Natuurlijk maakte ze ook deze brief niet af. Hij voegde zich bij de andere en zweeg halverwege een zin in de koffer van leer.

In december bereidde ze zich voor op een optreden met Kerstmis. Ze ging De notenkraker dansen en werkte vlijtig een paar uur per dag. Ze maakte de uitnodigingen en stuurde die per post rond: dat wil zeggen ze gooide ze in de brievenbus in het stadje. Ze stuurde ook een uitnodiging naar het hoofd van de gemeente, naar de burgemeester van het stadje, naar de apothekeres bij wie ze haar crèmes kocht, naar het onderwijzend personeel. Maar ja, er kwamen slechts vier mensen: de boer met zijn vrouw en die twee grijze en van ouderdom zwakke, tot op de grond gebogen oudjes die smachtten naar het zien van beweging. De anderen waren misschien bang dat ze zou vallen tijdens het dansen, dat ze als een takje zou breken en dat zij getuigen zouden moeten zijn van iets akeligs. Mensen willen alleen deelnemen aan iets prettigs.

Ze liet die avond haar tranen de vrije loop. Ze lag op haar rug en de tranen trokken in haar als de woestijn droge huid zodat nog geen druppeltje op het laken vloeide.

Met Kerstmis kreeg ze enkele kaarten met wensen, waaronder van haar man of partner of wie diegene ook mocht zijn geweest: die kerel in zijn rode overhemden.

In februari was het dorp twee weken ondergesneeuwd, in die tijd stopte ze met oefenen en zat ze hele dagen ineengedoken op bed door het raam te kijken naar de besneeuwde welvende landschappen. Na een week begon iemand bij haar aan te kloppen. Het was de boer uit het dorp die haar kwaad vroeg of ze nog wel leefde. U geeft geen enkel teken van leven, er zijn geen sporen voor het huis. Uit de schoorsteen komt geen rook. Wat zijn dat voor gewoontes? Zoiets doet men niet. Ik ga met de slee naar de stad, moet ik iets voor u meenemen? Ze zei: druiven, olijfolie, veel sla en tomaten. Hij haalde zijn schouders op en tegen de avond bracht hij haar een plastictas met een brood, een zakje zuurkool, salami en chocolade. Het bleek later dat ze dat allemaal had opgegeten. Hij kwam nu elke dag en stookte in haar grote tegelkachel die de hele begane grond verwarmde. Hij zei dat je in de winter bigos[1] moest eten en beslist een glaasje wodka moest drinken. Je kon aan hem zien dat hij dat ook de hele tijd deed.

“Lieve Papa, weet u hoe iemand zich voelt die niet geliefd is? Hij heeft het gevoel dat alles wat hij doet verkeerd is en zelfs als hij ermee ophoudt dat te doen, dat dat ook verkeerd is. Alles in hem deugt niet. Hij is een vod, een stukje papier dat op de grond is gegooid. Zo iemand zal nooit rust kennen. Hij zal alles doen om de liefde waardig te worden, maar hij zal daar nooit in slagen. Misschien dat van dat soort niet geliefde mensen alle perfectionisten komen, aangezien zij nooit met enig resultaat tevreden zullen zijn; ze zullen werken als ossen zonder de mogelijkheid van vervulling, zonder beloning. Het land van Sisiphus en van hen die water naar de zee dragen.”

 

Toen de sneeuw begon te smelten en de weg weer begaanbaar werd ging ze met de boer naar het stadje en kocht verf en penselen. Potten en potjes, tubes en tubetjes. Ik zie dat de boel een opknapbeurt gaat krijgen, lachte de boer, maar neemt u van mij aan, het is niet de moeite, want deze bouwval staat op instorten, zonde van het geld. Ze zei dat ze van plan was met Pasen opnieuw op te treden. Deze keer nog weer iets anders, maar hij glimlachte wat droevig en zei al niets meer terug.

Nu bracht ze hele dagen door in de zaal met het podium om te schilderen; in het dorp was de muziek te horen die ze op een platenspeler afspeelde: van die saaie radiomuziek. Bij deze melodie voegden zich het gekauw van de kauwen en het krassen van de kraaien die dat jaar hun toevlucht hadden gezocht in de bomen van het verwaarloosde park. Op het einde van de middag kookte ze water en waste ze alle verf van haar lijf om zich er de volgende dag weer mee te besmeuren. Vervolgens zette ze kruidenthee en schreef ze haar brieven.

Ze maakte echte steigers van oude tafels, waarvan er voldoende in de veranda stonden. In plastic emmers roerde ze de verf aan, in glazen potten mengde ze kleuren. Toen het in maart al wat warmer begon te worden, sommige dagen waren bijna lenteachtig, zette ze het raam wijd open, dan was te horen dat ze zelfs wat liep te neuriën. En als ze naar het postkantoor of de bank in het stadje ging kocht ze een fles wijn. Elke dag zag er hetzelfde uit, alleen de natuur onttrok zich aan dit herhaalde, monotone ritme, want de vorst trok weg en grote massa’s vochtige lucht hingen nu onbeweeglijk boven het dorp. De bast van de bomen begon te glimmen, hij leek wel van fluweel, de bladeren van vorig jaar omgaf een onzichtbare wolk van rottingsgeur. Uiteindelijk stonden ook de lenteklokjes in bloei.

Toen ze vlak voor Pasen, dat in het begin van april viel, het hele dorp weer uitnodigingen stuurde voor een optreden, ging de boer van huis tot huis en zei de mensen dat ze moesten komen, dat ze barmhartig moesten zijn, uiteindelijk duurde het maar twee uur en haar zouden ze er een groot plezier mee doen, want ze had zich de hele winter voorbereid, en dat het geen slechte vrouw was, alleen misschien een beetje gestoord, maar op een prettige manier gestoord, want ze deed immers niemand kwaad, ze danste alleen. Dus op Paaszondag, na de middag, na het copieuze diner kwamen ze opnieuw met een man of negen plus drie gasten uit het stadje naar haar optreden kijken. Ze kwamen schuchter de donkere zaal binnen, geleid door op de muren geschilderde pijlen. In het halfduister namen ze onder begeleiding van subtiele muziek hun plaatsen in. Vervolgens flitste het licht aan en was het net of ze echt in een vol theater zaten, zoals je weleens zag in de bioscoop, met een zaal, een balkon en loges, inclusief het geroezemoes van duizend menselijke stemmen. Dit was niet langer diezelfde trieste, bladderende zaal van weleer. De muren waren nu bedekt met samengepakte rijen van gezichten; die gezichten reikten van de vloer tot aan het plafond. In de loge aan de rechterkant waren zelfs gekroonde hoofden te zien en iemand met een purperen presidentiële sjerp die schuin over zijn borst liep. En je zag dameshoeden en hoge hoeden van mannen, maar ook heel gewone gezichten. Die in de zaal waren nonchalant geschilderd: ze leken allemaal op elkaar, maar die in de loges onderscheidden zich van elkaar en als je er goed naar keek, kon je er de blonde haren van Marilyn Monroe en het onmiskenbare kapsel van Elvis in herkennen. O kijk, en ze wezen elkaar al verheugd op het besnorde gelaat van maarschalk Pilsudski of was het misschien Lech Walesa. Er zaten chocoladekleurige en baardige, volle en langgerekte gezichten tussen. Je zag oude mannen en kinderen. In de rijen verderop begonnen ze steeds meer op elkaar te lijken en ten slotte waren het nog slechts een paar punten en twee loodrechte lijnen: een neus en een mond. Maar dat maakte niet uit. De boer lachte schaterend toen hij dit zag. Wel een bijdehante, dat mens heeft talent, zei hij. En de baby lachte, maar toen begon het kleintje te huilen, ongetwijfeld omdat in dit kleine kinderhoofdje een dergelijke verscheidenheid, zo’n grote hoeveelheid gezichten niet paste. Dus toen de muziek losbarstte, werd er blijmoedig geklapt en maakte zij, de vrouw in de witte tule, een elegante buiging naar hen en was absoluut niet te zien hoe oud ze was. Ze danste heel licht voor hen en nu vertrouwden ze haar in zoverre, dat ze wisten dat ze hen niet zou verontrusten: ze zou niet vallen, stof doen opwaaien, niet plotseling als door ballons door de tule de lucht in worden gedragen. Het was een soort muziek die het zoemen van insecten nadeed en zij veranderde ook echt in hommels en bijen, klepperde met haar armen en een wat vreemde, dubbele diadeem op haar haren wekte de indruk alsof ze daar hele grote ogen had. Ach, iedereen vond het prachtig en ze applaudisseerden zelfs voor een toegift.

De volgende dag wist het hele stadje al van het schilderwerk en onmiddellijk daarna de hele omgeving, en met het lange meiweekend kwamen enkele mensen om er een blik op te werpen. Ze was voorkomend, maar vastberaden: de mensen moesten hun adres achterlaten, dan zouden ze een uitnodiging krijgen voor een voorstelling

De hele laatste zomer trad ze regelmatig op, elke zondag voor toeristen die vol bewondering voor haar en haar danszaal waren en er werd zelfs een film over haar gemaakt voor een lokaal televisiestation. De camera toonde nu eens haar, dan weer de schilderingen. En natuurlijk de levende toeschouwers die enkele rijen dik zaten. Toen ze die videoband kreeg bekeek ze die vele malen, bijna elke avond, op een televisie die ze speciaal voor dat doel had gekocht. En daarna schreef ze de eerste voltooide brief.

“Lieve Papa, ik stuur u een videoband met mijn solo-optreden. Ik zou heel graag willen dat u hem onbevooroordeeld bekijkt. Ik denk dat we ons uiteindelijk met elkaar zouden moeten verzoenen. Ik heb altijd van u gehouden en – dat kan ik nu wel zeggen – u bijna elke dag geschreven. Ik heb die brieven nog altijd. Als u ze nog eens zou willen inzien dan zal ik ze voor u in een doos doen en aan u opsturen. Het zijn er heel wat. U had geen gelijk. Ik had talent, alleen u hebt het niet kunnen herkennen. Ik was heel vlijtig en nu komen veel mensen naar mijn optredens kijken. De zaal in mijn theater barst uit haar voegen als ik dans. Ik zie u al wat vreemd zitten lachen: het is ironie, dat weet ik. Ik ben altijd bang geweest voor die lach. Ik schaamde me dood dat ik degene was die ik was, dat ik sowieso was. Maar elk gevoel heeft zijn grenzen; ik ben nu te oud voor schaamte en u bent ook te oud om zo denigrerend over mij te doen. Misschien dat nu alles goed gaat komen tussen ons en dat we de oude wonden zullen vergeten. We zullen zijn als vader en dochter.”

Op de dag waarop ze het pakketje naar de post bracht kreeg ze ’s avonds een telegram. Haar vader was overleden. Ze verfrommelde het stukje papier en gooide het op de grond. Bovendien vertrapte ze het onder haar hak. Ze was woedend. Die nacht deed ze alle lichten aan, ze haalde de verf en schilderde er in de zaal ook nog een gezicht bij, op de vierde rij op de parterre. Daarna maakte ze een kruistekening in de richting ervan en begon opnieuw te dansen.

[1] Pools zuurkoolgerecht

Poolse literatuur

Olga Tokarczuk

vertaling door Karol Lesman

 

“Tancerka” (“A Dancer”) was featured in Tokarczuk’s short story collection Gra na wielu bębenkach (Playing on many drums) in 2001.

Published with permission by Olga Tokarczuk


Reading suggestions/biography:

Olga Tokarczuk (Poland, 1962) debuted with a collection of poems in 1989, and in 1993, her first novel followed. Her novels have been translated to many languages, including English and Dutch. In 2015, Tokarczuk won the Nike Award, the greatest Polish literary award, for her epic novel Księgi jakubowe (The Books of Jacob), which appeared earlier this year in a Dutch translation (De Jacobsboeken) by Karol Lesman at the publishing company De Geus. Last year, Tokarczuk became the first Polish writer to win the Man Booker International Prize, for her novel Flights (De Rustelozen in Dutch), a philosophical rumination on modern-day travel. Tokarczuk’s tone is often called mythical. The short story “Tancerka” (“De Danseres” / “A Dancer) was translated to Dutch by Karol Lesman for Expanded Field.